Afwijkende mondgewoonten

Onder afwijkende mondgewoonten worden alle gewoonten verstaan die negatieve gevolgen hebben voor de gebitsstand, het spreken en het gehoor. Dit zijn:

  • open-mondgedrag;
  • afwijkend slikken;
  • duim-, vinger- en speenzuigen;
  • nagelbijten.

Wanneer open-mondgedrag een gewoonte is geworden, verslappen de mondspieren. Dit heeft als gevolg dat de mond kan uitdrogen en dat het kind daardoor minder slikt. Dit heeft tot gevolg dat de buis van Eustachius, die de neusholte met het oor verbindt, te weinig wordt gereinigd. De kans op oorontstekingen neemt hierdoor toe. Een ander gevolg van open-mondgedrag is dat de tong slap op de mondbodem gaat liggen. Dit heeft als gevolg dat het kind bij het slikken de tong niet meer tegen het gehemelte brengt, maar slikt met de tong tegen of tussen de tanden. Hierdoor wordt de kaak- en tandgroei belemmerd. Er zal geleidelijk aan een over- of open beet kunnen ontstaan.

Ook zal het kind bij het spreken de tong niet meer geheel naar boven brengen. Het kind zal dus met de tong ook tegen of tussen de tanden gaan spreken. Dit noemen we slissen of lispelen.

Duim-, vinger- en speenzuigen zijn ook afwijkende mondgewoonten. Als baby en peuter is er een grotere zuigbehoefte en mag het duim-, vinger- of speenzuigen nog. Vanaf een leeftijd van ongeveer 3 jaar zal de zuiggewoonte afgeleerd moeten worden. Anders is de kans groot dat het kind open-mondgedrag, afwijkend slikken, afwijkende kaak- en tandstand en slissen / lispelen ontwikkelt.

Afwijkende mondgewoonten en vooral afwijkend slikken kunnen negatieve gevolgen hebben voor de gebitsontwikkeling. Door de overmatige tongdruk kan een over- of open beet ontstaan. Er moet dan eerst een goed slikpatroon worden geleerd voordat een beugeltraject effect heeft. Vandaar dat een tandarts of orthodontist ook kan verwijzen naar een logopedist.

In onze praktijk bieden wij OroMyofunctionele Therapie (OMFT) om afwijkende mondgewoonten af te leren.